prenatale diagnostiek
Inleiding
Foetale cardiologie is een subdiscipline die zich
richt op het hart van het ongeboren kind (de foetus). Ze heeft als eerste doel het aantonen of uitsluiten van aangeboren
hartafwijkingen tijdens de zwangerschap (prenataal). Een belangrijke
taak bestaat ook uit het correct informeren van de ouders, het reeds
prenataal instellen van een behandeling (indien mogelijk) en het
voorbereiden van een goede opvang
na de geboorte. Om dit alles te kunnen verwezenlijken staat een team
ter beschikking van cardiologen, verloskundigen, neonatologen,
chirurgen, specialisten in menselijke erfelijkheid en psychologen.
Foetale cardiologie wordt dan ook enkel uitgevoerd in grote
(universitaire) centra.
Foetale
echocardiografie
Foetale echocardiografie, het bekijken van het
ongeboren hart via echografie, speelt een sleutelrol bij de prenatale
diagnose en opvolging. Net als de cardiale en prenatale echografie is
deze techniek gebaseerd op ultrasone golven. Via deze techniek is het
mogelijk om het foetale hart nauwkeurig te evalueren zodat vele
aangeboren hartafwijkingen reeds voor de geboorte kunnen worden
gedetecteerd. Foetale echocardiografie wordt vooral uitgevoerd wordt
door kindercardiologen en verloskundigen gespecialiseerd in prenatale
diagnostiek.
Welke
zwangeren worden verwezen voor een foetaal echocardiografisch
onderzoek?
Op basis van een aantal risicofactoren, op te
sporen door de behandelende verloskundige, wordt een selectie gemaakt
van zwangeren die voor verdere hartonderzoek naar een gespecialiseerd
centrum worden verwezen
De klassieke indicaties voor verwijzing naar een
gespecialiseerd centrum zijn:
1. Het voorkomen van een
aangeboren hartafwijking in de familie
Het herhalingsrisico is laag indien er geen
chromosomale of genafwijkingen aan de basis liggen. (ongeveer 2%
indien 1 en 10% indien 2 vorige kinderen met aangeboren
hartafwijking). Een hogere kans bestaat echter wel in rechtstreekse
lijn, dwz als de zwangere of haar partner aan een belangrijke
hartafwijking lijdt (risico respectievelijk 4 en 2 %).
2. Diabetes
De kans op een aangeboren hartafwijking bij
kinderen van zwangeren met diabetes is licht verhoogd (3,1 %). De
problemen treden voornamelijk op indien de bloedsuiker slecht geregeld
was op het ogenblik van de bevruchting en de eerste weken van de
zwangerschap. Verdikking van de hartspier (spierhypertrofie) kan
optreden tijdens de laatste weken van zwangerschap, doch is zeldzaam
indien de bloedsuikerspiegel
goed geregeld is.
3. Medicatie gebruik,
intoxicatie of drugmisbruik
Bepaalde geneesmiddelen kunnen het ontstaan van
aangeboren hartafwijkingen bevorderen. Daarom wordt alle
niet-echt-noodzakelijke medicatie gestopt. Vooral zwangeren onder
anti-epileptica therapie worden verwezen. Het risico op ernstige
hartafwijkingen is echter relatief laag.
De blootstelling aan toxische stoffen of
radioactiviteit is sterk verminderd dankzij de huidige wetgeving op de
zwangerschapsbescherming.
Alcoholmisbruik kan het foetaal alcoholsyndroom
veroorzaken. Dit syndroom kan gepaard gaan met een aangeboren
hartafwijkingen.
4. Verdikte nekplooi
Veel verloskundigen bepalen tijdens routine
echografie in het eerste trimester (10-14 weken) de dikte van de
nekplooi. Deze meting wordt gebruikt om het risico op chromosomale
aandoeningen in te schatten. In de aanwezigheid van nekoedeem is ook
het risico op een aangeboren hartafwijking verhoogt: 0,08% voor een
nekplooimeting < 2,5 mm (normaal), gradueel oplopend tot 23% voor
een dikte meer dan 5,5 mm.
5. Andere aangeboren
afwijkingen
Indien tijdens het prenatale onderzoek een
afwijking aan het skelet, de hersenen of de nieren wordt vastgesteld,
is het nuttig om bijkomend een foetaal echocardiografisch onderzoek
uit te voeren om een geassocieerde hartafwijkingen aan te tonen of uit
te sluiten.
6. Te veel of te weinig
vruchtwater (poly- of oligohydramnios)
Polyhydramnios (te veel vruchtwater) wordt gezien
bij hoge obstructies van het maag-darm stelsel. Oligohydramnios (te
weinig vruchtwater) kan wijzen op afwijkingen aan de urinewegen. Beide
ziektebeelden kaderen vaak in syndromale ziektebeelden die met
hartafwijkingen gepaard kunnen gaan.
7. Abnormale
vochtcollecties (hydrops foetalis, pleura- of pericardvocht, ascites)
Abnormale vochtcollecties kunnen voorkomen in het
kader van hartfalen. Er zijn echter ook vele andere oorzaken die geen
verband houden met het hart of de bloedvaten (vb infecties).
Vochtcollecties zijn zeker een indicaties voor verder foetaal
hartonderzoek. Hierbij wordt vooral aandacht besteed aan de evaluatie
van de hartfunctie, het opsporen van structurele afwijkingen en het
uitsluiten van ritmestoornissen.
8. Foetale ritmestoornissen
Bij het vinden van abnormale vochtcollecties moet
men bedacht zijn op ritmestoornissen. Door middel van echocardiografie
kan de oorzaak worden opgespoord. Sommige ritmestoornissen moeten
reeds voor de geboorte behandeld worden. Hierbij wordt dan medicatie
toegediend aan de moeder. Via de placenta (moederkoek) komt dit
terecht bij de ongeboren baby.
9. Vertraagde groei
(intra-uteriene groeiretardatie)
Intra-uteriene groeiretardatie wordt vaak gezien
bij problemen met de placenta of in het kader van syndromen. Het is
voor de verloskundige dikwijls een indicatie voor bijkomend onderzoek.
Bij een bewezen genetische afwijking is het vinden van een
hartafwijking helemaal niet zeldzaam.
10. Een afwijking gevonden
tijdens de screening door de verloskundige
Als de verloskundige tijdens de routine controles
een abnormaal hart vermoedt, is de kans zeer groot dat er een
inderdaad een structurele hartafwijking aanwezig is.
Welke
informatie kan een uitgebreid foetaal cardiologisch onderzoek
opleveren?
Evaluatie van het foetale hart is mogelijk vanaf
de 12de zwangerschapsweek door middel van transvaginale
echografie (via inwendig onderzoek) en vanaf de 14de tot 16de
zwangerschapsweek door middel van transabdominale echografie (via
uitwendig onderzoek). Op dit tijdstip kan in vele gevallen worden
geoordeeld over de aanwezigheid van vier kamers, vier kleppen en 2
grote bloedvaten. Enkel zeer ernstige hartafwijkingen kunnen dus reeds
zo vroeg in de zwangerschap worden opgespoord. Een volledig
echocardiografisch onderzoek met evaluatie van septum, aspect van de
kleppen, longvenen, enz. is meestal slechts mogelijk vanaf de 18de
week. Men neemt dan ook aan dat de 19de-20ste
week in de meeste gevallen het goede moment is voor een volledig
onderzoek in een foetaal echocardiografisch centrum.
Er zijn een aantal factoren die een volledige
evaluatie van de anatomie kunnen bemoeilijken. De positie van de
foetus en van de placenta zijn belangrijke beperkende factoren.
Afhankelijk van ligging en beweeglijkheid van de baby én van de buik
van de moeder, kan de visualisatie variëren van optimaal tot
bijzonder moeilijk.
Tijdens het foetale echocardiografisch onderzoek
wordt aandacht besteed aan de symmetrie tussen linker- en
rechterhelft, aan de verschillende verbindingen en aan de
beweeglijkheid en diameter van de hartkleppen. Het inschatten van de
ernst van de aandoening en eventuele geassocieerde problemen vergt de
toepassing van bijkomende technieken. Door een combinatie van de
verschillende technieken kunnen, in theorie, de meeste aangeboren
hartafwijking prenataal worden gediagnosticeerd. Het is echter
belangrijk te wijzen op het gegeven van zowel ervaring van de
echografist als op de “natuurlijke evolutie”. Zo kan een
klepvernauwing, die vroeg in de zwangerschap als matig werd beschouwd,
progressief verergeren en aanleiding geven tot een veel ernstiger
ziektebeeld (hypoplastische linkerhart syndroom). Het is dan ook
belangrijk om in geval van een vroege diagnose het onderzoek te
herhalen Op deze manier kan de natuurlijke evolutie worden gevolgd en
adequate neonatale zorg voorbereid. Er blijven enkele “aangeboren
hartafwijkingen” die nooit op voorhand kunnen worden voorspeld. De
aanwezigheid van ASD en ductus arteriosus zijn noodzakelijk voor het
normale foetale leven en het al dan niet sluiten na de geboorte kan
niet worden voorspeld. Kleine VSD’s zijn meestal niet te zien. Ook
prenatale diagnose van coarctatio (vernauwing van de aorta) en andere
afwijkingen ter hoogte van de aortaboog blijven moeilijk.
<terug>