onze dienst
hartafwijkingen
psychosociale

catheterisatie - algemeen

Een hartcatheterisatie is een onderzoekstechniek waarbij men vanuit een ader of een slagader van (meestal) de rechterlies een catheter opvoert tot in het hart van het patiëntje, met als doel een diagnose te stellen (diagnostische catheterisatie) of een aandoening te behandelen (interventionele catheterisatie). Omdat bepaalde behandelingen en zelfs diagnostische onderzoeken nogal lang kunnen duren en het niet altijd mogelijk is dit volledig pijnloos te doen, worden catheterisaties bij kinderen, voor het comfort van de patiëntjes, altijd onder algemene anesthesie verricht. 
Een diagnostische catheterisatie verschaft de arts drie belangrijke onderzoeksmethoden.

Enerzijds kunnen we via de catheter de bloeddruk meten op verschillende plaatsen in het hart. Zo kunnen we bvb. de bloeddruk meten juist vòòr en juist voorbij een hartklep. Normaal is de (systolische) druk vòòr en voorbij de klep even hoog. Als we nu voorbij de klep een beduidend lagere druk registreren dan voor de klep, dan is de diagnose van een vernauwde klep (klepstenose) reeds gesteld.

Anderzijds kunnen we via de catheter bloedstalen nemen op verschillende plaatsen in het hart. Van die bloedstalen kan het zuurstofgehalte bepaald worden. Afwijkingen van de normaalwaarden kunnen er op wijzen dat er een vermenging is tussen zuurstofrijk en zuurstofarm bloed ( vb. ASD en VSD) of dat er onvoldoende bloed naar de longen afgevoerd wordt.

Ten derde kunnen we via de catheter een contraststof inspuiten, de contraststof wordt met het bloed meegevoerd en kan op het beeldscherm gevolgd worden. Op die manier krijgt de arts een zichtbaar beeld van de bloedsomloop en kunnen afwijkingen vastgesteld worden.

Omdat andere diagnostische onderzoeken (vooral echocardiografie) het laatste decennium enorm geëvolueerd en verbeterd zijn wordt de hartcatheterisatie als diagnostisch middel dikwijls overbodig. Toch blijft ze nodig bij ingewikkelde aangeboren hartafwijkingen of als voorbereiding op of controle na een operatie.

Het aandeel van de interventionele catheterisatie daarentegen is de laatste jaren sterk gestegen. Steeds meer aandoeningen kunnen tegenwoordig (waar vroeger een operatie nodig was) tijdens de catheterisatie behandeld worden.

Een klepstenose of een vernauwing van een bloedvat kan men behandelen door tijdens de catheterisatie een ballonnetje in de vernauwde klep te plaatsen, het ballonnetje wordt opgeblazen en op die manier wordt de klep opengetrokken.

Een bloedvat dat een onnatuurlijke verbinding legt tussen het aderlijk en het slagaderlijk systeem kan worden afgesloten door er via een catheter een coil (een soort metalen propje) in te plaatsen.

Een opening tussen de twee voorkamers (ASD) kan via een speciale catheter met een soort diabolo worden gesloten zodat de natuurlijke scheiding tussen grote en kleine bloedsomloop weer hersteld wordt.

Het tijdstip van de catheterisatie hangt af van de ernst van de afwijking. Zo zal een levensbedreigende afwijking direct na de geboorte een catheterisatie en behandeling (door operatie of behandeling tijdens catheterisatie) noodzakelijk maken. Bij de meeste hartafwijkingen kan de catheterisatie na consult van de kindercardioloog gepland worden.

<terug>

communicatie
professioneel