normaal hart

Het hart van kinderen en volwassenen is een pomp die grotendeels onafhankelijk en onophoudelijk het bloed door het lichaam pompt en daardoor zorgt voor de toevoer van energie (zuurstof en voedselbestanddelen) en de afvoer van afvalstoffen die via organen zoals lever en nier onschadelijk gemaakt en verwijderd worden.

Het normale hart bestaat uit 4 kamers die gesynchroniseerd samentrekken om het bloed in de goede richting te sturen. In normale omstandigheden komt het zuurstofarme bloed (blauw) vanuit het lichaam toe in de rechterboezem, vandaaruit wordt het bloed door de tricuspiedklep aangezogen naar de rechterkamer.

De rechterkamer trekt vervolgens samen en duwt het bloed door de pulmonaalklep naar de longen. In de haarvaten van de longen wordt koolzuurgas uitgewisseld voor zuurstof en het nu zuurstofrijke of rode bloed stroomt naar de linkerboezem. De linkerkamer zuigt dan dat bloed op doorheen de mitraalklep en duwt het nadien door de aortaklep naar het lichaam.

De 4 kleppen van het hart openen niet actief, maar door drukverschillen tussen de verschillende systemen: zuigkracht tijdens het ontspannen van de linkerkamerspier creëert negatieve druk en opent de mitraalklep zodat het bloed vanuit de linkerboezem naar de linkerkamer stroomt tijdens wat men de diastole noemt, samentrekking van de linkerkamerspier veroorzaakt positieve druk en opent de aortaklep zodat het bloed vanuit de linkerkamer in de aorta gepompt wordt tijdens de systole. De belangrijkste functie van de klep is evenwel het afsluiten van boezems en kamers, zodat het bloed alleen maar in één richting, namelijk voorwaarts, kan vloeien. Indien de kleppen nu verdikt zijn of vergroeid, openen ze onvoldoende. Om nu toch voldoende bloed doorheen die vernauwde opening te sturen moeten de kamers hogere drukken ontwikkelen zodat het bloed als het ware doorheen die vernauwde opening geperst wordt. Een voorbeeld kan dit verduidelijken: de bloeddruk die de dokter aan de arm is eigenlijk de vertaling van de druk die de linkerkamer ontwikkelt om het bloed doorheen de aortaklep naar het lichaam te stuwen. Zolang de aortaklep goed opent zijn bloeddruk en linkerkamerdruk dan ook gelijk, bv. 120 mmHg. Als de aortaklep verdikt is (of stenotisch) moet de linkerkamer meer druk ontwikkelen om het bloed naar het lichaam te sturen met dezelfde bloeddruk als in een normale situatie. Om een bloeddruk van 120 mmHg in de arm te krijgen zal de linkerkamer dan bijvoorbeeld een druk van 160 mmHg moeten genereren. Dat drukverschil van 40 mmHg (160-120) over de aortaklep kan men dan meten met Dopplertechnieken.

Normaal zijn er geen verbindingen tussen linker- en rechterhart zodat zuurstofrijk- en arm bloed niet vermengd worden. Enkel voor de geboorte zijn er natuurlijke verbindingen (foetale circulatie). Vermits de longen van de foetus geen zuurstof moeten opnemen in de baarmoeder hoeft het bloed niet door de haarvaten van de longen te stromen en wordt het via de ductus arteriosus omgeleid naar de onderkant van het lichaam. Het zuurstofrijke bloed vanuit de baarmoeder komt toe in de rechterboezem en wordt via het foramen ovale naar de linkerboezem omgeleid en vandaaruit via de linkerkamer naar de hersenen. Eenmaal het kind ademt na de geboorte verliezen deze verbindingen hun functie en sluiten spontaan. De druk in het linker hart is steeds hoger dan in het rechter hart tenzij er vernauwingen bestaan in het rechter hart of de longen. Bij geïsoleerde openingen in het hart zal het bloed dan ook steeds van links naar rechts stromen.