univentriculair hart
De heelkundige behandeling
van een univentriculair hart bestaat uit verschillende (2 à 3)
chirurgische stappen. Bij deze aandoeningen is het onmogelijk om het
hart volledig te herstellen. Men spreekt van een palliatieve
behandeling. Het uiteindelijke resultaat van de ingrepen is een
Fontancirculatie, waarbij de enige goed functionerende kamer de
lichaamscirculatie verzorgt. De bloedtoevoer naar de longen gebeurt
rechtstreeks via de beide holle aders en zonder tussenkomst van het
hart. Er bestaat dan wel een volledige scheiding van zuurstofrijk en
zuurstofarm bloed zodat de patiënt geen cyanose (blauwheid) meer
vertoont.
Eerste
stap (Blalock-Taussig shunt of banding)
Een eerste operatieve stap gebeurt meestal kort na de geboorte. Indien
de baby cyanose vertoont door onvoldoende bloedtoevoer naar de longen,
wordt een Blalock-Taussig shunt aangelegd.
Indien de longcirculatie
teveel bloed moet verwerken, wordt een bandje aangelegd rond de
longslagader, om de hoeveelheid bloed die naar de longen stroomt in te
perken. Dit wordt banding genoemd.
Sommige baby’s hebben
geen eerste voorbereidende operatie nodig. Zij kunnen op iets latere
leeftijd meteen overgaan naar de tweede stap.
Tweede
stap (Bidirectionele Glenn of HemiFontan)
Deze operatie gebeurt via sternotomie (openen van het borstbeen,
midden vooraan op de borstkas) en met behulp van een kunsthart-
circulatie. Na aansluiting van de
kunsthartcirculatie wordt een rechtstreekse verbinding gemaakt
tussen de bovenste holle ader (vena cava superior) en de bovenzijde
van de rechter longslagadertak. Zo wordt het zuurstof- arme bloed
vanuit de bovenste lichaamshelft rechtstreeks naar de longen
afgeleid, zonder doorheen het hart te moeten passeren. Zo wordt het
univentriculair hart reeds gedeeltelijk van extra volume ontlast. Deze
procedure wordt meestal uitgevoerd tussen de leeftijd van 9 tot 18
maand.
Derde
stap (totale cavopulmonale connectie of Fontan)
De derde (en laatste)
operatieve stap noemt men een "totale
cavopulmonale connectie (TCPC)" . Ze wordt, afhankelijk van de
klinische evolutie, uitgevoerd tussen de leeftijd van 18 maanden en 3
jaar.
De operatie gebeurt via
dezelfde insnede als bij de tweede stap, waarbij het borstbeen terug
op dezelfde plaats wordt opengemaakt om het hart te bereiken. Na
aansluiting van de kunsthartcirculatie, wordt een verbinding gemaakt
tussen de onderste holle ader (vena cava inferior) en de rechter
longslagader. Dit gebeurt via een tunnel uit kunststof in de rechter
voorkamer of via een volledige kunststofbuis die tussen beide
structuren wordt aangebracht. Zo wordt ook het zuurstofarme bloed uit
de onderste lichaamshelft rechtstreeks naar de longen geleid.
Prognose
De hierboven vermelde
operaties kunnen slechts succesvol zijn als de bloeddruk in de
longcirculatie laag is en de patiënten een mooi ontwikkeld geheel van
longbloedvaten vertonen. Ook de functie van de enige goed werkende
hartkamer moet goed zijn om op termijn een behoorlijk resultaat te
bekomen.
De Fontancirculatie wordt
wereldwijd al meer dan 25 jaar met succes uitgevoerd. Indien de
behandeling van de patiënten met univentriculair hart van bij de
geboorte goed gepland wordt, verhoogt dit de kansen op een langdurig
goed resultaat.
De meeste kinderen bij wie
een Fontancirculatie werd aangelegd, kunnen alle dagdagelijkse
activiteiten aan (schoolgaan, matig fysische inspanningen),. Ze hebben
een normale lichaamskleur. Meestal hoeven ze slechts weinig medicatie
in te nemen.
<terug>