kinderafdeling
onze dienst
psychosociale

Wat zijn de risico's voor volgende zwangerschappen?

Wanneer een kindje geboren wordt met een hartafwijking moet uitgemaakt worden of het kind alleen een hartafwijking vertoont of daarenboven nog andere afwijkingen heeft. In het eerste geval spreekt men van een geïsoleerde hartafwijking, in het tweede geval van een syndromale hartafwijking. Bij een syndromale hartafwijking maakt het hartgebrek deel uit van een syndroom (bvb het velocardiofaciaal syndroom).

Wanneer het gaat om een geïsoleerde hartafwijking en in de familie zijn geen andere personen bekend met een gelijkaardig probleem, dan is het risico op een volgend kind met een hartgebrek laag. Het risico wordt in dit geval geschat tussen 3 à 5 % in vergelijking met een risico van 0,8 – 1 % in de “normale” populatie. Dit betekent dat bij een volgende zwangerschap er 95 à 97% kans bestaat dat het kind geen hartafwijking vertoont.

In geval van een syndromale hartafwijking hangt alles af van de aard van het syndroom en van het feit of er nog familieleden zijn met de aandoeningen. Het risico op een volgend kind met een hartafwijking kan dan variëren van 0 tot 50%. 

Het is steeds aangewezen om met een dergelijke vraag naar herhalingsrisico’s een genetisch centrum te raadplegen, en dit liefst voordat men zwanger is! Om te bepalen hoe groot het risico is bij een volgende zwangerschap zal de geneticus een stamboom opmaken en het kindje met de afwijking grondig evalueren. Meer info omtrent het genetisch centrum in het UZ Gent: (http://medgen31.ugent.be/CMGG/NL/index.php)

 

<terug>

 

communicatie
professioneel