Wat zijn genen
en chromosomen?
Sinds 1956 weten we dat het genetisch
materiaal bij de mens 46 chromosomen bevat. Twee van deze 46
chromosomen noemen we de geslachtschromosomen omdat ze verschillen
tussen man en vrouw. Mannen hebben een X en Y
chromosoom. Vrouwen hebben twee X chromosomen. De overige 44 chromosomen
(ook wel autosomen of niet-geslachtschromosomen genoemd) verschillen
niet tussen man en vrouw. De helft van onze 46 chromosomen erven we
van de vader, de andere helft van de moeder. Van elk van de 23
verschillende chromosomen erven we dus twee exemplaren: één van de
vader en één van de moeder. Op deze 23 verschillende chromosomen
liggen alle genen verspreid. Het juist aantal genen kennen we op heden
nog niet precies. We schatten dat het menselijk genoom ongeveer 70.000
genen telt. Een gen is niets anders dat een klein chromosomaal
fragmentje opgebouwd uit DNA. Het bevat de genetische
informatie nodig voor het maken van een eiwit (soms is het genproduct
echter geen eiwit maar een RNA molecule). DNA (voluit: desoxyribonucleïnezuur)
is de chemische substantie van ons erfelijk materiaal. De genen
bevinden zich (net zoals de chromosomen) in de kern van onze
lichaamscellen. Ze bevatten de informatie die nodig is voor het
normaal functioneren van de cel (je zou het kunnen vergelijken met de
software van een computer). Onze genen vervullen verschillende
functies. Sommige genen zijn alleen actief tijdens de embryonale
ontwikkeling. Ze spelen er een cruciale rol tijdens de vorming van
verschillende organen (oa. het hart).
<terug>