Tetralogie van Fallot
Tetralogie van Fallot bestaat uit vier "componenten": (1)
een groot gat tussen de twee kamers; (2) de aorta "te paard"
over het defect; (3) een te smalle uitgang van de rechter kamer door
vernauwingen onder (infundibulaire stenose), op (valvulaire stenose)
of boven de klep (supravalvulaire stenose) of in de longtakken
(takstenose); (4) een verdikte spierwand van de rechter kamer
(hypertrofie).
Er zijn heel veel varianten. De klachten zijn
afhankelijk van de graad en plaats van de vernauwing naar de longen
toe. Hoe nauwer de uitgang naar de longen, hoe vroeger en hoe
ernstiger blauwheid zal worden opgemerkt. Als de uitgang naar de
longen helemaal afwezig is, spreekt men van "Fallot met pulmonale
atresie". Indien er weinig obstructie is, zal de blauwheid niet
uitgesproken zijn en spreekt men van "Witte" Fallot. Bevindt
de obstructie zich vooral ter hoogte van de spier onder de longklep,
dan bestaat het gevaar op plotse aanvallen van blauwheid door kramp
van deze spierring: er gaat bijna geen bloed meer naar de longen
waardoor de baby wit-blauw wordt, gaat zweten en vaak bewusteloos
wordt. Dit zijn de "Fallot-spells". Tijdstip van aanval of
uitlokkende factoren zijn verscheiden. Wat ouders zelf kunnen doen is
het kind troosten en de knieën van het kind tegen de borst duwen om
zoveel mogelijk bloed naar de longen te stuwen. Meestal gaat de aanval
daarmee over. Uw kindercardioloog moet zeker van dit type aanvallen op
de hoogte gebracht worden. Eén cyanotische aanval is reeds voldoende
reden om tot een chirurgische ingreep over te gaan.
Het tijdstip van de behandeling hangt af van de
ernst van de blauwheid. Onder de leeftijd van 3 maanden wordt
geopteerd voor een tijdelijke oplossing zoals de Blalock-Taussig shunt
(aanleggen van verbindingsvat tussen lichaamsslagader en
longsslagader) of ballondilatatie van de pulmonaalklep. Boven de
leeftijd van 3 maanden wordt meestal gekozen voor een totale
correctie. Indien er geen klachten zijn wordt deze correctie
uitgevoerd tussen 6 en 12 maanden. Het risico van de ingreep is laag
maar restletsels zijn niet zeldzaam. Meestal gaat het om een lek van
de pulmonaalklep of vernauwingen van de longslagaders. Toch is de
levenskwaliteit van de meeste kinderen zeer goed: zij kunnen normaal
naar school en deelnemen aan sportactiviteiten. Op volwassen leeftijd
moeten sommigen omwille van een lekkende pulmonaalklep een heringreep
ondergaan met implantatie van een nieuwe pulmonaalklep. Indien er
ernstige vernauwingen bestaan in de longslagaders kunnen deze
opgerokken worden met een ballondilatatie of stentimplantatie.
<terug>