Percutane kleppen

Sinds enkele jaren worden in bepaalde omstandigheden kleppen via hartcatheterisatie ingeplant. Bij volwassenen wordt vooral een aortaklep ingebracht bij oudere mensen bij wie er een verhoogd risico voor een operatie bestaat.

Bij patiënten met aangeboren hartafwijkingen wordt deze techniek vooral gebruikt  voor de pulmonaalklep of klep naar de longen. Patiënten die reeds bij een chirurgische ingreep een biologische of menselijke pulmonaalklep ingeplant kregen komen voor deze techniek in aanmerking. Het gaat hier vooral over patiënten met tetralogie van Fallot of andere ingewikkelde hartafwijkingen (na Rastelli operatie) die bij de eerste operatie of bij een volgende operatie een klepvervanging ondergaan hebben.  Meestal zal die biologische of menselijke klep binnen de 10-15 jaar verslijten en op haar beurt moeten vervangen worden. Tot voor kort was dat enkel mogelijk door herhaalde chirurgische ingrepen (met open borstkas en gebruik van de hart-long machine).

Sinds enkele jaren is er ervaring met nieuwe biologische kleppen die via hartcatheterisatie in de “versleten” klep kunnen geplaatst worden en waarschijnlijk eveneens 10 tot 15 jaar kunnen functioneren. In tegenstelling tot de chirurgische vervanging vergt deze techniek geen insnede in de borst, geen aankoppeling aan de hart-long machine en slechts 2 nachten opname in het ziekenhuis zonder doorgedreven revalidatie. Deze techniek wordt sinds 2011 in België terugbetaald (Melodyklep).

percutaneklep1

 

Via de lies- of de halsader wordt een stevige voerdraad door de zieke pulmonaalklep geplaatst. Hierover brengt men een ballon die doorheen deze zieke klep opgeblazen wordt tot de diameter van de klep die men uiteindelijk wil plaatsen ( meestal 20-22-23 of 26 mm). Deze ballon laat toe om op voorhand te testen dat de in te planten klep mooi te verankeren is en niet op andere structuren zoals de kransslagaders zal drukken. Als men denkt dat klepimplantatie mogelijk zal zijn wordt eerst een stent doorheen de zieke klep geplaatst als stevig anker voor de klep.

 

percutaneklep2

 

Deze “ankerstent” drukt de zieke klep volledig weg. Nadien wordt tijdens dezelfde ingreep of enkele maanden later ( als men de nieuwe stent eerst wil laten ingroeien) de klep ingebracht en in de ankerstent opgeblazen. Bij een goed resultaat worden nadien alle catheters uit de bloedvaten verwijderd en is de procedure afgelopen. Meestal kan de patiënt de dag nadien het ziekenhuis verlaten. Indien er enkel een ankerstent geplaatst wordt die nog moet ingroeien moet de patiënt enkele maanden verder zonder klep: bij de meeste patiënten die op deze manier benaderd worden is er voor deze ingreep reeds een zeer belangrijk lek door de bestaande klep, zodat die bijkomende maanden meestal goed verdragen worden.

percutaneklep3

 

percutaneklep4

De ingreep zelf wordt onder volledige verdoving uitgevoerd. Het risico is relatief beperkt. De belangrijkste complicaties zijn druk op de kransslagaders, breuken van de stent waarin de klep ingenaaid is en scheurtjes in de oorspronkelijke longslagader. Deze complicaties zijn gelukkig zeldzaam en kunnen in de meeste gevallen vermeden worden of snel behandeld worden. Druk op de kransslagader wordt op voorhand getest met de eerste ballon en als er aanwijzingen zijn dat de kransslagaders toegedrukt worden wordt de klep niet ingeplant. Breuken in de stent worden meestal vermeden door eerst een andere stent in te planten (het anker) om de klepstent te beschermen. Scheurtjes in de longslagader kunnen meestal vlot behandeld worden door een bedekte (covered) stent te plaatsen die het scheurtje afdekt.

 

 

 

Op dit ogenblik testen we een nieuwe klep uit die wat groter is (Sapienklep) en bij sommige patiënten kan ingeplant worden zonder dat er al een chirurgische klep is ingenaaid bij een vorige operatie. Bij deze patiënten is de klepzone meestal ingesneden bij de oorspronkelijke chirurgische ingreep en werd geen klep ingeplant. Die zone blijkt nadien dikwijls te groot om de Melodyklep te kunnen plaatsen. De nieuwe Sapienklep is tot 26 mm groot ( in plaats van 22 mm voor de Melodyklep) en kan voor sommige van deze patiënten toch een oplossing bieden. Indien een plaatsing van een percutane klep toch niet mogelijk zou blijken kunnen deze patiënten in eerste instantie gewoon een klassieke chirurgische klepvervanging ondergaan. Als deze chirurgische klep op haar beurt aan vervanging toe is kan dan wel een percutane klep geplaatst worden.